De erfenis van de VOC op Java: hoe koloniale structuren voortleven in de economie van vandaag
In oktober is Mees Lammers begonnen met zijn promotietraject naar de langetermijneffecten van het Nederlandse kolonialisme op het Indonesische eiland Java. Binnen de onderzoeksgroep Enduring Empire onderzoekt hij hoe de aanwezigheid en activiteiten van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in de zeventiende en achttiende eeuw nog steeds zichtbaar zijn in de hedendaagse economische en sociale structuren.
Voordat Lammers aan zijn promotie begon, studeerde hij eerst een jaar econometrie. “Ik vond wiskunde geweldig,” zegt hij, “maar ik miste de context. Data en modellen zijn interessant, maar zonder historische achtergrond voelde het leeg.” Hij ging vervolgens geschiedenis studeren en raakte al snel gefascineerd door economische geschiedenis, waarin kwantitatieve methoden en historische analyse bij elkaar komen.
Tijdens zijn master Economic History aan de London School of Economics verdiepte hij zich in de relatie tussen koloniale instituties en economische ongelijkheid. Daar raakte hij vooral geïnteresseerd in persistence studies. Dit gaat over hoe historische structuren doorwerken in de huidige economie. Die benadering vormt nu de basis van zijn onderzoek naar de VOC op Java.
Waar gaat je promotieonderzoek over?
Mees Lammers: ‘We proberen te begrijpen waarom sommige voormalige koloniale samenlevingen vandaag de dag rijker of armer zijn dan andere. De economische theorie die we hiervoor gebruiken, is ontwikkeld door de economen Acemoglu, Johnson en Robinson, die hiervoor de Nobelprijs voor de Economie ontvingen. Volgens AJR functioneert de tweedeling tussen vestigings- en handelskoloniën als een belangrijke voorspeller van latere economische groei: vestigingskoloniën ontwikkelen doorgaans inclusieve instituties die economische ontwikkeling stimuleren, terwijl handelskoloniën vaak blijven steken in extractieve instituties die leiden tot een langdurige economische achterstand. In vestigingskoloniën, zoals Australië en Canada, vestigden Europeanen zich blijvend en bouwden zij instituties op waarin eigendomsrechten en ondernemerschap werden gestimuleerd. Handelskoloniën, zoals Sri Lanka en India, waren daarentegen voornamelijk gericht op de extractie van grondstoffen en arbeid.’
Wat voor soort kolonie was Java?
‘De VOC was typisch een handelsorganisatie. Ze wilde geen staat opbouwen of maatschappelijke ontwikkeling bevorderen, maar winst maken. Batavia, het huidige Jakarta, werd het economische en bestuurlijke centrum. De rest van het eiland diende vooral als leverancier van handelsgewassen zoals koffie. Toch is de werkelijkheid minder zwart-wit. De VOC introduceerde verschillende bestuursvormen op verschillende plaatsen. Binnen Java zie je grote lokale variatie en dat maakt het historisch én econometrisch interessant.’
Hoe kun je zulke koloniale verschillen meten?
‘Dat was tot voor kort bijna onmogelijk, maar inmiddels zijn de vijf miljoen brieven, logboeken en administratieve documenten van de VOC gedigitaliseerd en doorzoekbaar gemaakt. Dat betekent dat we voor het eerst op grote schaal kunnen analyseren waar de Compagnie actief was en hoe haar handelsnetwerk eruitzag.’
Hoe werkt dat?
‘Met behulp van tekstherkenning en machine learning zoeken we naar aanwijzingen in de bronteksten: welke schepen voeren waarheen, welke producten werden verhandeld, en waar dwong de VOC lokale boeren tot productie? Die gegevens worden vervolgens gekoppeld aan hedendaagse economische data. We willen weten of gebieden die destijds sterk geïntegreerd waren in het VOC-netwerk vandaag rijker of juist armer zijn. Zo proberen we de doorwerking van koloniale instituties letterlijk in kaart te brengen.’

Een kaart van Java, gemaakt door de VOC in 1761, waarin ze aangeven hoe het eiland is opgedeeld en welk deel wel of niet onder VOC-heerschappij viel. Universiteitsbibliotheek Leiden, Collectie Bodel Nijenhuis 006-12-021. Door Van Boeckholtt [na 1761]: Nieuwe Kaard/ van het/ Eijland Groot Java./ Met Aanwijsing Onder Wien De/ Lande Sorteeren.
Je werkt met cijfers, maar ook met geschiedkundige bronnen. Hoe combineer je die twee?
‘Economie en geschiedenis vullen elkaar aan. Met cijfers kun je patronen ontdekken, maar je moet begrijpen wat die cijfers betekenen. Daarom combineren we kwantitatieve analyse met kwalitatieve interpretatie van brieven en documenten. Soms zie je in data een effect van ‘extractie’, maar dan moet je ook in de bronnen nagaan wat er feitelijk gebeurde. Was het dwangarbeid, of eerder een vorm van samenwerking met lokale heersers? Door beide invalshoeken te combineren, voorkom je dat je de geschiedenis in een te eenvoudig model perst.’
Waarom is dat belangrijk?
‘Het gaat niet alleen over economische groei, maar ook om sociale effecten. De VOC kan op sommige plekken maatschappelijk wantrouwen hebben versterkt. Als mensen eeuwenlang onder dwang hebben gewerkt of weinig zeggenschap hadden, kan dat invloed hebben op vertrouwen in instituties vandaag de dag. Zoiets wordt doorgegeven van generatie op generatie.’
Wat verwacht je dat jullie onderzoek zal laten zien?
‘Ik hoop vooral dat we kunnen aantonen dat koloniale beleidspatronen nog steeds zichtbaar zijn in de ruimtelijke ongelijkheid op Java. Jakarta is vandaag het economische centrum van Indonesië. Dat is waarschijnlijk te herleiden naar de tijd van de VOC, omdat hier het hoofdkwartier zat. In die tijd werd er flink geïnvesteerd in infrastructuur, administratie en handel, terwijl het binnenland werd achtergelaten.’
Verwacht je duidelijke conclusies?
‘We proberen niet een simpele lijn te trekken van ‘kolonialisme maakt arm’. Het gaat erom dat we begrijpen hoe economische en institutionele structuren doorwerken in het heden. Om dat goed te onderzoeken, we werken samen met Indonesische universiteiten en het nationale statistiekbureau. Lokale onderzoekers weten vaak beter hoe dat verleden nog doorwerkt in cultuur en samenleving. Hun perspectief is onmisbaar in dit onderzoek.’