Nederlands | English
 

De menselijke kant van interoperabiliteit

Op 19 en 20 maart werd er bij het Huygens ING een symposium gehouden om de resultaten van het Interedition Project luister bij te zetten. Naast exceptioneel goede presentaties op het vlak van tool (Gregor Middell) en toepassing (Stan Ruecker) werd een aantal ontwikkelingen getoond die goed laat zien wat Interedition beoogde te doen: het bevorderen van interoperabiliteit tussen tools die gebruikt kunnen worden in Digital Textual Scholarship.

Zo lieten Tara Andrews en Troy Griffits een oplossing zien waarbij een stemmatologie-gereedschap, een transcriptiegereedschap en een regulariseringsgereedschap voor variante teksten in afzonderlijke lokale projecten dezelfde software integreerden om delen van verschillende digitale processen in tekstonderzoek te ondersteunen. De tool die zij, in samenwerking met mij daarvoor ontwikkelden, stelt tekstonderzoekers in staat om de resultaten van een tekstvergelijking interactief in een netwerkvisualisering te corrigeren of aan te passen. Het is een goed voorbeeld van samenwerking die leidt tot het efficiënt ontwikkelen en hergebruiken van digitale oplossingen. Het is ook een goed voorbeeld om te laten zien dat een aantal relatieve gemeenplaatsen over interoperabiliteit bijgesteld zou moeten worden.

 

Ik denk dat het in 2008 moet zijn geweest dat ik gevraagd werd om eens wat te vertellen over Interedition en ik hield daarom een ‘grabbelton-lezing’. Een, overigens zeer aanbevelenswaardige, manier om het publiek invloed te laten hebben op je lezing en waarmee je ook informatie inwint over de voorkennis van het publiek. Je zet een x-aantal onderwerpen op de lijst en geeft aan hoeveel minuten je er over kunt praten. Het publiek zelf stelt dan de lezing samen uit de verschillende items. Niemand was destijds geïnteresseerd in het onderwerp ‘interoperabiliteit’ – ik vermoed omdat niemand een idee had wat het was. Maar interoperabiliteit was toch echt hét punt van onderzoek binnen Interedition.

Interoperabiliteit is op veel verschillende manieren te definiëren, maar voor het gemak kunnen we zeggen dat interoperabiliteit de mogelijkheid is van en voor computerprogramma’s om hun informatie te delen en om van elkaars functionaliteit gebruik te maken.
Een mogelijk herkenbaar voorbeeld is toegang tot mail. Het maakt tegenwoordig eigenlijk niet meer uit of ik via GMail, Outlook, Firebird, MacMail, de mail client op mijn smartphone of iPad naar mijn mail kijk. Al die programma’s geven dezelfde maildata weer van een centrale mail server en ze kunnen allemaal mail versturen via die server. Het voordeel hiervan is dat iedereen kan werken in het voor hem prettigst aanvoelende programma, terwijl de mail gewoon blijft aankomen. Kortom, interoperabiliteit zorgt ervoor dat we data kunnen gebruiken waar en hoe we dat willen en dat software –en dus mensen– kunnen samenwerken.

Een vrij algemene opvatting is dat interoperabiliteit een kwestie van standaarden is: kies een standaard voor de vorm van je data en alle techniek werkt samen. Dit is maar zeer ten dele waar. De vorm van je data zegt niet alleen iets over de uitwisselbaarheid, maar ook over de bruikbaarheid. Mooi dat in je tekstbestand alle strofen zijn gemarkeerd, maar ik moest eigenlijk alle pronomina hebben. Bovendien willen we niet alleen data hergebruiken, binnen Interedition waren we vooral ook geïnteresseerd in het uitwisselen van functionaliteit. Er zijn al zo weinig mensen die computerfunctionaliteit kunnen scheppen voor Digital Textual Scholarship; als die mensen ook nog eens allemaal dezelfde transcriptie-functionaliteit bouwen maar dan in een ander kleurtje, dan gaat het allemaal wel héél lang duren.
In de praktijk blijkt het daarom belangrijk om uit te zoeken waar in welk proces verschillende softwareonderdelen op elkaar kunnen ingrijpen: waar kan mijn spelling- normaliserings gereedschap nuttig zijn binnen jouw tekstvergelijkings-workflow? Dit is een vraagstelling naar de mogelijkheden van samenwerking: samenwerking tussen mensen, tussen mensen en digitale gereedschappen, en tussen digitale gereedschappen. Interoperabiliteit in dat licht wordt veel meer een kwestie van het formaliseren en bouwen van de discrete onderdelen van een workflow, dan van het kiezen van standaarden. Standaarden liggen voor het oprapen, koppelbare en herbruikbare componenten van workflows niet.

Maar de belangrijkste les die we uit Interedition trekken –denk ik– is niet eens dat het eerder om de tools gaat dan om de data, maar dat het eerder om de mensen gaat dan om de tools of de data. Waar Interedition in slaagde was het samenbrengen van een groep ontwikkelaars en onderzoekers die bereid waren ver te gaan om elkaars taal te verstaan. Daaruit ontstonden nieuwe en nuttige samenwerkingsbanden: de succesvolle ontwikkeling van gedeelde software was het gevolg daarvan. Het stimuleren en ondersteunen van een creatieve en initiatiefrijke community blijkt zo veel essentiëler dan welke focus op techniek ook. Interoperabiliteit is dus vooral interoperabiliteit van mensen. Dat het de witte raven zijn –zij die onderzoek en ontwikkeling in één persoon kunnen combineren– die de grenzen van Digital Humanities keer op keer verleggen is daar, meen ik, een bewijs voor.

Joris van Zundert, Researcher & Developer Digital and Computational Humanities Huygens ING