Nederlands | English

Eastbound

Onderzoek naar literatuur gebeurt steeds meer buiten de traditionele nationale kaders. De letterkunde van een bepaald land of in een bepaalde taal staat immers niet los van wat er in andere talen en culturen gebeurt. Meestal wordt gedacht dat grote taalgebieden zoals het Franse, Engelse en Duitse, vooral veel van hun eigen literatuur exporteren, terwijl kleinere zoals het Nederlandse vooral afhankelijk zijn van import. Recent onderzoek toont echter aan dat dat een te simplistische voorstelling van zaken is. Nederlands is in de culturele wereld een veel belangrijkere taal dan je zou denken op basis van het aantal moedertaalsprekers. Doordat Nederlandstaligen vaak meertalig zijn en de Nederlandse cultuur actief betrokken is bij allerlei vormen van internationale uitwisseling, nemen de Lage Landen een vrij grote plaats in in het wereldtalenstelsel.

Ook uit kleinere literaturen passeren romans, gedichten en theaterstukken de grenzen van taal en cultuur om een nieuw leven te beginnen, in vertaling bijvoorbeeld, of in een andersoortige bewerking (film, strips, beeldende kunst, muziek…). Eastbound wil onderzoeken hoe oeuvres uit de Nederlandstalige literatuur hun weg vonden naar het Duitse taalgebied en – vaak via Duitsland – naar Polen, Hongarije en Tsjechië. Het project heeft een drieledige doelstelling. Ten eerste bekijkt het hoe literatuur in circulatie wordt gebracht in een transnationale context. Het volgt de trajecten van een aantal oeuvres en onderscheidt de factoren die een rol spelen bij de transfer van literaire teksten, vanaf de distributie in het land van herkomst (i.c. Vlaanderen of Nederland) tot de ontvangst in het land van aankomst. Ten tweede stelt Eastbound de vaak aangenomen hiërarchie tussen de periferie en het centrum van het literaire systeem ter discussie. Het beeld van een Europa dat slechts enkele exportculturen telt en een heleboel importculturen, moet worden bijgesteld. Door de pluriformiteit van zowel import als export te belichten, wil het project de complexiteit van transnationale cultuurstromen laten zien. Ten derde stelt Eastbound de vraag of oeuvres uit Vlaanderen en Nederland van culturele identiteit veranderen wanneer ze vertaald of bewerkt worden en elders een nieuw leven gaan leiden. In hoeverre worden ze in het land van aankomst nog als ‘Nederlandse literatuur’ geïdentificeerd, in hoeverre zijn het ‘Europese’ of ‘universele’ verhalen geworden of krijgen ze zelfs een nieuw lokaal (Duits, Pools, Hongaars, Tsjechisch) karakter?

De te onderzoeken periode begint in 1850, als de professionalisering van het literaire veld en van het vertalen en bewerken een hoge vlucht begint te nemen. Nadien komen nieuwe media (film, radio, televisie) op, die extra mogelijkheden bieden om bestaande literaire werken een nieuwe gedaante te geven, en daarmee een nieuw leven. Het onderzochte tijdvak eindigt in 1990, een keerpunt in de landen van Oost- en Centraal-Europa waarop het onderzoek zich richt en tevens het begin van een actieve Europese cultuurpolitiek. Ook de opkomst van het internet zorgt dan voor een nieuwe dimensie in de literaire infrastructuur. Door onderzoek te doen naar een langere periode – 140 jaar – is het mogelijk om patronen en verschuivingen vast te stellen in het internationaal circuleren van Nederlandstalige literatuur. Eastbound concentreert zich op de trajecten van tien frequent vertaalde oeuvres uit zowel Vlaanderen als Nederland.

In twee complementaire deelprojecten worden de trajecten van Nederlandstalige literatuur naar het oosten in kaart gebracht en geïnterpreteerd. Al vaker is vastgesteld dat Duitsland in de onderzochte periode de voornaamste afzetmarkt was voor literatuur uit Nederland en Vlaanderen. Het idee van cultuurverwantschap – dat bijvoorbeeld tijdens de twee wereldoorlogen politiek werd ingezet– speelde daarbij een grote rol. Ook het aandeel dat Duitsland had in de verspreiding van  Nederlandstalige literatuur in de Slavische en Hongaarse culturen is al in casusonderzoek aan de orde gesteld. De onderzoekers van Eastbound kijken nu systematischer naar de actoren (uitgevers, vertalers, bewerkers, critici, literaire agenten etc.) en instituties (uitgeverijen, literaire tijdschriften, genootschappen, jury’s, overheidsdiensten, commerciële organisaties etc.) die betrokken waren bij de export en het verdere transport. Ook onderzoeken zij het verband met de politieke, religieuze en economische context die de internationale receptie van de Nederlandstalige literatuur beïnvloed heeft. En uiteraard zullen de onderzoekers de vertalingen en bewerkingen zelf eveneens analyseren.

 

Eastbound omvat twee deelprojecten. Het eerste, waaraan Theresia Feldmann als promovendus werkt aan de KU Leuven, kijkt naar de verspreiding en ontvangst van Nederlandstalige literatuur in het Duitse taalgebied. Orsolya Réthelyi werkt als postdoctoraal onderzoeker van het Huygens ING in Den Haag aan het tweede deelproject. Dit onderzoekt vertalingen en adaptaties van Nederlandstalige literatuur in het Poolse, Tsjechische en Hongaarse taalgebied, al dan niet via het Duits.

 

Eastbound is in augustus 2016 van start gegaan en wordt naar verwachting in 2020 afgerond met een synthese van de onderzoeksresultaten. Het project wordt gefinancierd door FWO en NWO, in het kader van het programma ‘Samenwerking Nederland-Vlaanderen’.

Website van het project

http://www.codl.nl/codl-eastbound/eastbound/


Uitvoerders

Prof.dr. Elke Brems (KU Leuven)

Theresia Feldmann MA (KU Leuven)

Dr. Ton van Kalmthout (Huygens ING)

Dr. Orsolya Réthelyi (Huygens ING)