Nederlands | English
 

Dankwoord Herman Brinkman

 

Geachte aanwezigen en leden van de jury, De eer die mij vandaag door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde wordt bewezen, stemt mij tot grote dankbaarheid. Geen ogenblik heb ik erbij stil gestaan dat er mij ooit zoiets bijzonders ten deel zou vallen. Het doet mij bovendien veel deugd deze prijs te mogen […]

 

Geachte aanwezigen en leden van de jury,

De eer die mij vandaag door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde wordt bewezen, stemt mij tot grote dankbaarheid. Geen ogenblik heb ik erbij stil gestaan dat er mij ooit zoiets bijzonders ten deel zou vallen. Het doet mij bovendien veel deugd deze prijs te mogen ontvangen in het land waarmee ik me in de loop der jaren – door mijn werk maar ook door de vele persoonlijke contacten – steeds meer verbonden ben gaan voelen. Behalve als een erkenning voor mijn eigen onderzoek zie ik dit eerbetoon toch ook als een erkenning voor een manier van vakbeoefening in de historische letterkunde, die ik me eigen heb kunnen maken dankzij het geluk dat ik had me te ontwikkelen in een periode dat de historische letterkunde, en de medioneerlandistiek in het bijzonder, een ongekende bloei doormaakte. De grote stuwkrachten daarachter mag ik tot mijn voornaamste leermeesters rekenen. Het past mij dan ook aan hen de dank uit te spreken die ik hen verschuldigd ben: in de eerste plaats Herman Pleij. Hij heeft mij doen zien hoe de schamele tekstrestanten die ons uit het verleden zijn nagelaten, wanneer we goed lezen en ons wapenen met het juiste gereedschap, ons een blik gunnen in de denk-, leef- en verbeeldingswereld van degenen die ons eeuwen geleden voorgingen. Soms is er niet meer dan een kijkgat, soms een venstertje, soms ook – maar heel zelden – een openslaande poort die ons uitnodigt om binnen te treden. Na het voltooien van mijn dissertatie aan de Universiteit van Amsterdam bij Herman Pleij vond ik onderdak in waarschijnlijk de meest inspirerende onderzoeksomgeving die de medioneerlandistiek tot nu toe heeft gekend: het door Frits van Oostrom in het leven geroepen en geleide project Nederlandse Literatuur en Cultuur in de Middeleeuwen. Het was tijdens mijn studie dat de baanbrekende werken van zowel Pleij als Van Oostrom verschenen. Met hun syntheses wisten zij een groot publiek te bereiken en talloze studenten te inspireren. Velen van hen mocht ik in Leiden tot mijn nieuwe collega’s rekenen. Dit was een omgeving waarin de wetenschap optimaal kon gedijen. De toepassing van een nieuw onderzoeksparadigma zorgde voor nieuw elan. Literatuur werd niet langer als autonome tekst gezien, maar als een sociaal-historisch verschijnsel. De grenzen van het corpus te bestuderen teksten werden opgerekt, de horizon verbreedde, het belang van de context waarin literatuur ontstond en functioneerde werd ten volle onderkend. Tegelijktijd werden ook de bronnen waarin de teksten zijn overgeleverd herondekt als primair studieobject, bijna als archeologische vindplaatsen, die een schat aan informatie bevatten. Meer en meer werd pijnlijk duidelijk dat het ons ontbrak aan elementaire kennis over de omstandigheden waarin vaak veelsoortige literaire teksten werden bijeengebracht en doorgegeven, de herkomst en het gebruik van de handschriften en gedrukte boeken die toch de directe en tastbare tastbare schakel vormde tussen ons en het verleden.

Pieter Obbema heeft eens de meest belangrijke bronnen voor de Middelnederlandse wereldlijke literatuur op een rij gezet. Waar Willem de Vreese het totaal aantal handschriften met Middelnederlandse teksten eens schatte op zo’n 10.000, reduceerde Obbema dit aantal tot een negental. Daaronder zouden alle hoogtepunten van de Middelnederlandse literatuur zijn vertegenwoordigd. Het is voor velen van u een inmiddels bekende rij, maar ik fris het geheugen toch even op:

1. De Lancelotcompilatie
2. Het Walewein/Roman van Limborch-handschrift
3. Het Ferguut-handschrift, waarin ook o.m. Floris ende Blanchefloer en de Dietsche doctrinale
4. Het Gruuthuse-handschrift
5. Het Dyckse handschrift, waarover zo dadelijk meer.
6. Het Comburgse handschrift
7. Maerlants Alexanders geesten (Münchense hs.)
8. Het Haagse liederenhandschrift
9. Het handschrift-Van Hulthem

Ik mag me gelukkig prijzen dat ik tijdens mijn loopbaan de kans heb gekregen drie van deze kernhandschriften langdurig te bestuderen, het Comburgse handschrift (eigenlijk een convoluut van zes handschriften met een gemeenschappelijke oorsprong), het handschrift-Van Hulthem en, gedurende de laatste jaren, het Gruuthuse-handschrift. Voor alle negen handschriften geldt dat ze geen expliciete gegevens bevatten over hun precieze plaats en datum van ontstaan, noch – met uitzondering van de Lancelotcompilatie – van hun oorspronkelijke bezitters. Juist op de punten die we van belang achten voor het goede begrip van hun historisch-sociale situering moeten wij het doen met wat een combinatie van verschillende expertises, schaarse aanwijzingen en gelukkige vondsten aan het licht kan brengen en zo komen we tot een situering van Comburg, Hulthem en Gruuthuse handschriften in de steden Gent, Brussel en Brugge. Zekerheden zijn er zelden, goed gefundeerde hypothesen zijn meestal het beste waarop we mogen hopen.

Het is moeilijk om precies uit te leggen hoe je zulk onderzoek zou moeten aanpakken. Nu eens wijst de codicologie het duidelijkst in een bepaalde richting, dan weer de paleografie, de taalkunde, de studie van substraten, soms de unieke bijeenplaatsing van algemeen bekende en alleen lokaal relevante teksten, en soms ook notities van latere gebruikers.

Er is mij gezegd dat ik twintig minuten mocht uittrekken voor mijn dankwoord, en dat het best een kleine lezing zou mogen worden. Ik maak graag van die gelegenheid gebruik. Ik zou u dan ook een klein voorbeeld willen geven van de manier waarop zulke hypothesen zich vormen, al was het alleen maar om te laten zien hoe niet alleen streng methodisch onderzoek, maar ook het “toeval” daarbij een rol speelt. Ik zet “toeval” hier tussen aanhalingstekens, omdat ik er niet helemaal zeker van ben in hoeverre toeval echt toeval is. Misschien kan ik beter het defige woord ‘serendipiteit’ gebruiken: de ruimte die je in je onderzoek toelaat om toeval een kans te geven.

Ik zal het niet hebben over het Comburgse, Hulthemse of Gruuthuse-handschrift – daarover heb ik inmiddels het mijne wel gezegd (al is over het Gruuthuse-handschrift nog niet alles gepubliceerd) – maar over een ander handschrift uit de lijst van Obbema, het Dyckse handschrift. Tot 1991 behoorde dit boek samen met het Gruuthuse-handschrift tot de selecte groep van zeer belangrijke codices die zich nog in privébezit bevonden. In dat jaar werd het door de Universitäts- und Landesbibliothek Münster verworven uit het bezit van de adellijke familie zu Salm-Reifferscheidt. De naam van het handschrift is ontleend aan het slot Dyck bij Neuss in het Nederrijngebied, tegenwoordig Noordrijn-Westfalen, waar het zich bevond toen het in 1907 werd ontdekt door Hermann Degering, destijds assistent-bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek Münster. In januari 1908 was het Willem de Vreese die hier, waar wij nu zijn, bekend kon maken dat er eindelijk een tweede handschrift was gevonden met de complete tekst van Van den vos Reynaerde, nog steeds het enig bekende naast de versie uit het Comburgse handschrift. Degering zelf sprak een maand later – alweer hier voor de Koninklijke Academie – uitgebreid over zijn vondst.

Hoewel het handschrift vanwege het belang van de Reynaert-tekst vooral daarom bekendheid geniet, is voor de middeleeuwse opdrachtgever waarschijnlijk de veel langere tekst die aan de Reynaert vooraf gaat het belangrijkst geweest: Maerlants natuurencyclopedie Der naturen bloeme. Bijzonder aan het Dyckse handschrift is dat dit boek een aantal vroege bezittersaantekingen bevat, die erop wijzen dat het zich tenminste reeds in 1430 in het bezit bevond van de adellijke familie bij wie het eeuwen later werd ontdekt. Nu komt het wel voor dat teksten van Middelnederlandse auteurs in bezit zijn geweest van adellijke families uit het tegenwoordige Duitsland, maar bijna altijd hebben we dan te maken met omwerkingen naar een Nederrijnse of Frankische taalvariant, de zogenaamde ‘Umschreibungen’. Het Dyckse handschrift daarentegen is geschreven in een Middelnederlands waarin door een Vlaamse grondlaag de taal van een oostelijk Hollandse of Utrechtse kopiist doorschemert. Sommigen dateren het in de tweede kwart of het midden van de veertiende eeuw, anderen, waaronder Jan Deschamps geven ca. 1375 op als ontstaansdatum. Hoe dan ook ligt het primaire functioneringsmilieu nogal ver verwijderd van het milieu waarin het handschrift al vrij snel terecht kwam. De vraag hoe dit boek al zo vroeg in het Nederrijnse verzeild is geraakt, is tot op heden nog niet beantwoord.

En hier komt het toeval om de hoek kijken. Jaren geleden wees Hans Smit, destijds werkzaam aan het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (nu opgegaan in het Huygens ING) mij terloops op het voorkomen van sprooksprekers in rekeningen van de heerlijkheid Culemborg. Om precies te zijn vroeg hij me of in de neerlandistiek wel bekend was dat daar zulke vermeldingen voorkwamen. Hij was namelijk juist toen met die rekeningen bezig. Ik antwoordde hem dat ik meende van niet. We liepen op naar het Centraal Station in Den Haag en zoals sommigen van u zullen weten is de weg van het ING naar het station bijzonder kort. Al spoedig scheidden dus onze wegen en ik bleef achter in de veronderstelling dat hij wel zou gaan publiceren over die sprooksprekers. Ik had in die tijd veel andere besognes, en meende te zijner tijd wel een publicatie te kunnen verwachten, dus met het verstrijken van de tijd vergat ik het voorval. Toen ik niet heel lang geleden om redenen die er nu niet toe doen iets wilde schrijven over sprooksprekers, herinnerde ik me ons gesprek van destijds. Bij navraag bleek dat Hans helemaal niet van plan was geweest over die sprooksprekers te publiceren. Hij schreef me dat wat hem betrof ik alle gelegenheid mocht nemen dit te doen. Zo maakte ik kennis met een zeer interessant maar in het onderzoek stiefmoederlijk behandeld archief dat behalve gegevens over sprooksprekers, muzikanten en andere vermaaksartiesten ook tal van andere wetenswaardigheden over het leven op een middeleeuws kasteel bood. Bij een verkenning van de inventaris viel het mij op dat er op zeker moment in de familie een huwelijk plaatsvond tussen Jutte, de zuster van Hubert, de toenmalige heer van Culemborg, en een zekere Johan von Reifferscheid. De akte met huwelijkse voorwaarden was keurig bewaard gebleven. Daaruit en uit andere bronnen bleek dat deze Johan, heer te Reifferscheidt, Bedbur en ter Dyckt, het slot Dyck overdroeg aan Hubert, heer van Culemborg, van der Leck en van der Weerde, ten behoeve van zijn eigen aanstaande bruid, Jutte van Culemborg. Bij het lezen van ‘slot Dyck’ moest ik natuurlijk meteen aan het Dyckse handschrift denken. De connectie tussen Jutte van Culemborg en de eerst bekende bezitters van het Dyckse handschrift bleek heel kort te zijn. Het huwelijk van Jutte en Johan von Reifferscheid vond plaats in 1399. Jutte was Johans tweede vrouw. Uit zijn eerste huwelijk had Johan al één dochter, Metza, ook Mechtildis genaamd. Deze Metza trouwde vier jaar later, in 1403, met Wilhelm I, graaf van Limburg. En Wilhelm nu blijkt degene te zijn die we als vroegste bezitter in het Dyckse handschrift tegenkomen. De tweede bezittersnaam in het handschrift is van een jonkvrouw van Neuenahr; zij werd al eerder geïdentificeerd als de dochter van Wilhelm en Metza: Margarethe von Neuenahr.

Hoewel het bewijs niet kan worden geleverd, meen ik toch de hypothese te kunnen verdedigen, dat het Dyckse handschrift hoogstwaarschijnlijk met Jutte uit het bezit van de heren van Culemborg is meeverhuisd naar de Nederrijn. De bevindingen uit de taalkunde en de codicologie lijken dit te bevestigen. Een sprekend voorbeeld levert de welbekende eerste regel van de Reinaert. En dan doel ik niet op de veelbediscussieerde variant ‘Willem die vele boeken maecte’ versus ‘Willem die Madocke maecte’, maar op de naamsvariant van de dichter in het Dyckse handschrift: niet Willem, maar Willam. Het kerngebied van deze variant ligt in Holland-Utrecht, maar ook in de Culemborgse rekeningen is Willam de meest voorkomende vorm. (Waarmee ik overigens niet wil beweren dat het handschrift in Culemborg zelf geschreven zou zijn.) We zijn hier in elk geval het oorspronkelijke functioneringsmilieu van het Dyckse handschrift dicht genaderd.

Maar wat levert ons zulke kennis nu op? Welk nut heeft het te weten dat een van de heren van Culemborg – hetzij Jan II, die in 1377 overleed of zijn broer Gerrrit, die hem opvolgde – ervoor koos om Maerlants natuurencyclopedie te laten volgen door Van den vos Reynaerde? Als we de positie van de heren van Culemborg nader beschouwen, in hoge mate zelfstandig opererend op het grensgebied van Holland, Utrecht, Brabant en Gelre, ingeklemd als het ware tussen grootmachten die nu eens een een steun in de rug vormden en dan weer een bedreiging waren, dan kunnen we ons voorstellen dat zij zich herkend zullen hebben in de slimme vos die zich tegen al zijn concurrenten, zelfs de hoogste macht weet te handhaven.

Maar genoeg nu over het Dyckse handschrift. Ik hoop mij in de komende jaren intensief te kunnen bezighouden met het Culemborgs archief, buiten enig project om, gebruik makend van een aantal royale verlofperioden die me de gelegenheid bieden de factor serendipiteit een plaats geven. Dit jaar heb ik om persoonlijke redenen de beslissing genomen mijn bijzonder hoogleraarschap aan de Universiteit van Amsterdam niet te continuëren. De prijs die ik vandaag in ontvangst heb mogen nemen, sterkt me in de overtuiging dat met deze keuze ook een mogelijkheid is geschapen om opnieuw een bijdrage te leveren aan de studie van de oudere taal- en letterkunde, ook al weet ik zelf nog niet eens hoe die precies vorm zal krijgen.

Ik wil graag besluiten met het uitspreken van mijn dank aan de vele collega’s en vakgenoten met wie ik de afgelopen jaren heb mogen samenwerken: mijn collega’s aan het Huygens ING, maar ook die aan de Universiteit van Amsterdam en niet in de laatste plaats mijn inspirerende Vlaamse vakgenoten, van wie ik twee in het bijzonder wil noemen: Joris Reynaert en Frank Willaert. Als de historische letterkunde in de ogen van de buitenwereld een stoffig imago zou hebben, zou dat volkomen misplaatst zijn. In mijn contacten met al deze collega’s heb ik het vak leren kennen als een gezond en dynamisch wetenschapsgebied waarin ongelofelijk veel academische deskundigheid wordt gekweekt, tentoongespreid en gedeeld. Ik hoop dat de prijs die ik vandaag mag ontvangen, anderen ertoe zal aansporen zich op dit terrein te begeven en alle sporen die zij vinden met hart en ziel te volgen en te onderzoeken.

Ik dank u wel.